Door: Tjerk Karsijns.


 


Meer dan eens waarschuwde veldwachter Klaas Wieringa de han­delaar in wild Geert Vos dat hij zijn hondenkar niet onbeheerd op de open­­­­bare weg mocht la­ten staan. Voor­bij­gangers zouden ertegen aan kunnen lo­pen. Vos bleek echter hardleers en toen hij zijn hondenkar opnieuw op de straat en nu voor het café van Riemer de Vries par­keerde kwam net de veldwachter langs.


 


Toevallig passeerde op datzelfde ogenblik Rodens burgemeester Gerardus van Wage­ningen. Het gezicht van de burgemeester verstrakte toen de veldwachter hem op de hoogte bracht van Vos’ overtre­ding.


 


Caféhouder De Vries voorzag, toen hij de burgemeester met de dien­der zag pra­ten, grote moeilijkheden en maande de wildverkoper zijn kar bin­nen het hek te zet­ten. De handelaar weigerde en zei dat hij spoedig zou vertrekken.


 


Waarschijnlijk zou Vos gelijk actie hebben ondernomen wanneer hij op de hoog­­te zou zijn geweest van enkele opmerkelijke karaktertrekken van de burge­meester:


Dat hij, zoals dat tegenwoordig heet, een “kort lontje” had.


 


Dat hij dikwijls ’s nachts door zijn dorp zwierf om zich ervan te vergewissen dat er geen onoorbare zaken plaatsvonden.


 


Dat die nachtelijke uitstapjes hem de bijnaam “Piet Nachtvorst” hadden be­zorgd.


 


Dat hij in het gemeentehuis in zijn bureaula een gummiknuppel had liggen die hij niet schuwde tevoorschijn te halen wanneer in zijn ogen een griener ten on­rech­te bij hem kwam jeremiëren.


Dat zo’n klager vervolgens het ge­meentehuis werd uitgemept.


 


Voor Vos was het te laat: “Pro­­ces-verbaal opmaken veldwachter”, beet de bur­ge­meester hem toe en ver­volgde met resolute pas zijn weg naar het gemeen­te­huis.


 


Ge­vraagd naar zijn personalia weigerde Geert Vos die te geven. De veldwachter liet daar­op zijn col­lega Itske Nuismer komen. Opnieuw weigerde de koopman, waar­op de veld­­­wachters hem sommeerden mee te gaan naar het gemeentehuis.


 


Onderhand was er al een oploopje ontstaan. Twee uit Groningen afkomstige be­kenden van Vos bemoeiden zich met de kwestie. Zij vonden dat de koopman on­heus werd bejegend. Een van de mannen gaf Nuismer een duw en de ander greep Wieringa vast. Die gaf daarop zijn belager een klap tegen het hoofd.


 


Uit­eindelijk konden de twee mannen naar de burgemeester worden gebracht, maar omdat zij hem beledigden werden zij vlotjes uit het gemeentehuis ver­wij­derd. Waarschijnlijk zag de gummiknuppel daarbij tijdelijk het daglicht.


 


Een rechtszaak volgde; 7 getuigen a décharge werden gehoord, nl. Geert Vos, Onne Winter, Taeke Poede, Riemer de Vries, Fokke de Vries, Pieter Mulder en Frederik Tel.


 


Waarschijnlijk was bromsnor Wieringa niet erg populair in het dorp. Geen van de getui­gen verklaarde te hebben gezien dat de veldwachters belaagd werden. Wel had­den ze gezien dat een van hen een klap uitdeelde. Omtrent waarom de wets­­­­hand­haver dat had gedaan begrepen zij niets.


 


Advocaat Mr. Wibrandus Johannes Kop­pi­us uit Groningen verdedigde de ver­dachten. In een redelijk onnavolgbaar staaltje psychologie van de koude grond gaf hij een uiteenzetting over het ontstaan van de drang om een medemens be­hulpzaam te zijn.


 


Opmerkelijk mocht trouwens worden genoemd dat de verdachten enkele ge­tui­gen in het café van Riemer de Vries hadden getrakteerd op een borrel. Dat een en ander riekte naar omkoping verwees de verdediger resoluut naar het land der fa­be­­len.


 


Het O.M. toonde zich weinig onder de indruk van de verklaringen van de diver­se getuigen. De twee veldwachters waren al lang in dienst en aan hun geloof­waar­­digheid werd niet getwijfeld. Het O.M. vorderde voor beide verdachten 5 en 14 dagen gevan­ge­nisstraf.


 


 


Foto-archief Kor Hagenouw.