Door: Tjerk Karsijns. In december 2017 werd op deze site verhaald over de in 1888 aangeschafte en in een nieuwe bergplaats op de Brink gestalde vierwielige handbrandspuit. Een en ander kende een vervolg: Burgemeester en wethouders van Roden kwamen op 8 april 1889 met een verordening die voorzag in voorschriften ten aanzien van het bouwen van huizen. De rampzalige brand die in 1881 Steenbergen voor een deel in de as had gelegd was mede reden de regels voor het bouwen van huizen stevig aan te scherpen.

Onder de verordening vielen schoorstenen, dakbedekking, omgaan met vuur in en om het huis en het regelmatig vegen van de schoorsteen. Verder nog het bergen en plaatsen van hooi en andere brandbare stoffen en het opslaan zonder vergunning van een grotere voorraad dan 200 liter petroleum. Verboden was het roken van een pijp zonder dop door timmerlieden, metselaars en rietdekkers, binnen een afstand van 5 ellen van een gebouw. Het niet naleven van deze bepalingen kon worden beboet met ƒ.5,- tot ƒ.25,-. Met het invoeren van de verordening probeerde men onheil als brand te voorkomen.
Smidsknecht Albert Liewes uit Grijpskerk was een van de eersten die destijds in Roden met de nieuwe verordening te maken kreeg. Hij vroeg de gemeente in december 1890 hem een vergunning te verlenen voor het oprichten van een smederij: ”In het huis thans bewoond door Jurjen van der Wal, no. 421 aan het Westeind” (huidige Bakker Bart).

Freerk Hoeksema wilde in 1900 aan de kunstweg Roden-Leek, in het pand Roden no. 435, een bakkerij bouwen op de plek waar jaren later Daan van Rijn zijn nering runde (tegenover heden Spaan mannenmode, Heerestraat). Hoeksema kreeg eveneens te maken met de verordening van 1889. Hij kreeg de vergunning, maar moest de vloer voor de oven, ter voorkoming van brand, tenminste 1,50 meter lang van steen maken. Ten aanzien van de dakbedekking en de schoorsteen golden dezelfde voorwaarden als die bij Albert Liewes waren gesteld.

Op aandringen van Gedeputeerde Staten werd door de gemeenteraad van Roden op 26 augustus 1906 eindelijk de oude verordening ingetrokken. Op 17 juli 1905 was namelijk al een nieuwe bouwverordening aangenomen met daarin artikelen van dezelfde strekking.
Terwijl Liewes en Hoeksema nog volgens de oude verordening hadden moeten bouwen, kreeg grofsmid Harm Smit uit Peize met de nieuwe regels te maken.

Smit wilde een smederij te bouwen in het centrum van Roden, op een plek kadastraal bekend onder M, no.181. (Juliana¬plein, heden ten dage makelaardij Van Hoogen).
Pas nadat de nodige hobbels waren genomen verleenden B en W Harm Smit op 6 mei 1906 de gevraagde vergunning. Landbouwer Egbert R. Krijthe, de toekomstige buurman van Smit, had namelijk bezwaar aangetekend tegen de bouw van de smederij. Krijthe schreef aan de gemeente: “Daar hij, door de oprichting dezer smederij brandgevaar voor zijne in de nabijheid staande woning ducht en hij last zal ondervinden door het gehamer en geklop daarin en stof, die met een steenkool gestookt vuur door de schoorsteen uitstoot over de wasch, bleekerij, potten, melkbussen enzovoort voor hem zeer onaangenaam zullen zijn”. B en W achtten de bezwaren van Krijthe niet gegrond, maar stelden toch de nodige voorwaarden alvorens de vergunning werd afgegeven. Voor de dakbedekking moesten pannen worden gebruikt die, in verband met gevaar voor brand, niet met strodokken mochten worden afgedicht. De schoorsteen, geheel van ijzer en steen, voorzien van een vonkenvanger, moest tot minstens 6 meter boven de begane grond worden opgetrokken.

Tevens moest het aambeeld worden geplaatst op een goed gemetseld fundament opgetrokken vanuit het vaste zand. Harm Smit kreeg dus zijn vergunning, maar als extra veiligheid diende hij ook nog een vonkenvanger op de schoorsteen te plaatsen. Dit alles om klager Krijthe gerust te stellen.

Huidige Julianaplein. Links smederij Harm Smit.

Albert Liewes voor zijn voormalige smederij.

Rechts, net niet volledig te zien bakkerij Hoeksema.

Foto’s uit het fotoarchief van Kor A Hagenouw©.